Een stad die je al een beetje kent, ontvangt je anders dan een stad die je voor het eerst ziet. Je herkent namen, je begrijpt een paar dingen en je weet ongeveer waar je moet beginnen. Daarvoor heb je geen hele bibliotheek nodig. Een paar avonden lezen en kijken in de weken voor je vertrek is genoeg, en het is een prettige manier om alvast in de stemming te komen.
Lezen zonder te overdrijven
Begin met het grote geheel. Bekijk een kaart en zoek uit hoe de stad is opgebouwd: waar zijn het centrum, het water, de belangrijkste straten en de wijken? Als je dat beeld hebt, heb je later veel minder moeite om je weg te vinden. Leer ook een paar wijknamen. Ze komen steeds terug in gesprekken, op bordjes en op kaarten.
Lees niet alleen reisgidsen. Een roman die zich afspeelt in de stad, een verhaal over de geschiedenis of een artikel over het dagelijkse leven geeft je een gevoel voor de plek dat een lijst met bezienswaardigheden niet kan geven. Kijk ook naar een film of luister naar muziek uit de streek. Zo zit je al een beetje in de sfeer voor je op de trein of het vliegtuig stapt.
Maak een lijstje van dingen die je aanspreken, maar houd het klein. Kies er een paar die je zeker wilt zien, en laat de rest open. Je hebt geen dagprogramma nodig. Schrijf je ideeën in een schriftje, zodat je ze kunt terugvinden, want ook een gsm kan leeg raken. De beste ontdekkingen doe je vaak niet volgens plan, maar in de gaatjes die je bewust vrij hebt gelaten.
Praat met mensen die er geweest zijn. Vraag wat hen het meest is bijgebleven en wat ze zouden overslaan. Hun antwoorden zijn vaak persoonlijker en nuttiger dan wat je online leest. Lees ook iets over de gewoonten en de gebruiken van de plaatselijke bevolking, zodat je je vriendelijk en respectvol kunt gedragen. Zo ben je goed voorbereid, maar nog nieuwsgierig genoeg om te worden verrast.